Essay

Het niet-weten

2 oktober 2026


Vanmorgen stond ik een eitje te maken en een broodje te smeren toen ik me ineens iets afvroeg.

Wat als niet weten wat ik vandaag wil doen helemaal geen probleem is?

Ik ben gewend om niet-weten als iets vervelends te ervaren. Alsof er ergens nog een antwoord ontbreekt. Wat ga ik vanmiddag doen? Wat wil ik straks? Hoe laat ga ik weg? Wat moet er nog gebeuren?

Niet weten voelt dan niet als ruimte, maar als een gat dat nog gevuld moet worden.

Misschien komt dat ook doordat zoveel in een dag gemakkelijk een patroon kan worden. Opstaan. Thee. Krantje. Ontbijten. Daarna dit, daarna dat. Vaste dingen die iedere dag terugkomen en waardoor ik niet iedere keer opnieuw hoef te bedenken wat ik wil.

Daar is op zichzelf niets vreemds aan.

Maar ik vroeg me ineens af wat er gebeurt als ik het antwoord nog niet heb.

Als ik ’s morgens simpelweg niet weet hoe mijn middag eruit zal zien.

Of als ik niet weet wat ik over twee uur wil.

Of zelfs over twee minuten.

Misschien is niet-weten dan niet alleen onzekerheid. Misschien zit er ook vrijheid in.

Er ligt namelijk nog niets vast.

Ik hoef nog niet te weten waar ik vanmiddag zin in heb. Ik kan dat vanmiddag ontdekken. Ik hoef nu niet alvast te bepalen wat ik straks nodig heb. Straks bestaat straks pas.

Dat klinkt eenvoudig, maar voor mij is het dat niet.

Ik heb lang geprobeerd veiligheid te vinden in weten. Vooruitdenken. Vooruitplannen. Controleren. Proberen rekening te houden met wat er zou kunnen gebeuren, zodat ik daar alvast op voorbereid was.

Niet-weten voelde daardoor eerder als iets wat opgelost moest worden dan als iets waarin ik gewoon even kon blijven.

En misschien zit daar voor mij precies de verandering.

Niet dat ik moet leren dat vooruitplannen eigenlijk ook gewoon mag.

Dat weet ik.

Het gaat er voor mij juist om dat ik inmiddels weet wat die beweging bij míj doet. Ik weet hoe gemakkelijk ik naar controle en vooruitdenken grijp om mezelf een gevoel van veiligheid te geven. Ik heb lang genoeg ervaren wat er gebeurt wanneer ik die beweging steeds opnieuw blijf voeden.

Daarom mag ik ook besluiten dat ik dat niet wil.

Niet omdat plannen verkeerd is.

Niet omdat weten verkeerd is.

Maar omdat ik mezelf iets anders wil laten ervaren.

Dat ik iets niet kan weten en toch veilig kan zijn.

Dat een lege middag niet onmiddellijk ingevuld hoeft te worden.

Dat ik geen antwoord hoef te verzinnen omdat het ontbreken ervan ongemakkelijk voelt.

Misschien is juist het bewust opmerken daarvan belangrijk.

Hé, ik weet het niet.

En dan niet onmiddellijk zoeken.

Niet alvast drie mogelijkheden bedenken.

Niet proberen te voorspellen welke daarvan straks het beste zal voelen.

Maar merken dat ik het niet weet.

En daar even blijven.

Misschien voelt dat in het begin helemaal niet als vrijheid. Misschien voelt het juist onwennig, omdat het oude bekende antwoord ontbreekt.

Maar onwennig hoeft niet hetzelfde te betekenen als verkeerd.

Misschien kan ik mezelf langzaam laten ervaren dat er niets gebeurt wanneer ik het nog niet weet. Dat ik niet ieder volgend moment vooraf hoef vast te leggen om veilig in het huidige te kunnen zijn.

En misschien wordt niet-weten dan iets anders dan het altijd voor mij is geweest.

Geen obstakel.

Geen leegte die zo snel mogelijk gevuld moet worden.

Maar een stukje tijd dat nog nergens naartoe hoeft.


Essay

Wat er onder liefde kan verdwijnen

26 september 2026


Liefde klinkt als iets goeds. Misschien wel als een van de beste dingen die je een kind kunt geven. Als er liefde is, dan zit het toch goed?

Maar de laatste tijd vraag ik me af of het woord liefde soms te makkelijk wordt gebruikt. Niet omdat de liefde er niet was. Maar omdat er onder dat woord zoveel andere dingen kunnen zitten die nauwelijks benoemd worden.

Je kunt van een kind houden en tegelijkertijd heel vaak vertellen wat verstandig is. Wat hoort. Wat goed is. Wat gevaarlijk is. Wat anderen ervan zullen vinden. Je kunt beschermen, adviseren, corrigeren en waarschuwen, allemaal vanuit de overtuiging dat je het beste met een kind voorhebt.

Maar waar blijft ondertussen de vraag: wat wil jij?

Niet: wat wil jij, zolang het verstandig is. Niet: wat wil jij, zolang wij het ermee eens zijn. Gewoon: wat wil jij?

Ik begon hierover na te denken toen ik een documentaire keek waarin een psychiater het verhaal vertelde van de man, de jongen en de ezel. Wat ze ook doen, er is altijd iemand die vindt dat ze het verkeerd doen. Als de jongen op de ezel zit, is het niet goed. Als de man erop zit, is het niet goed. Als niemand erop zit, is het ook niet goed.

Ineens dacht ik: wat gebeurt er eigenlijk als een kind vooral dát leert?

Niet letterlijk dat verhaal natuurlijk. Maar al die stemmen eromheen. Doe dit. Doe dat niet. Pas op. Zo hoort het. Wat zullen mensen wel niet denken?

Misschien worden stemmen die vaak genoeg van buiten komen op een gegeven moment onderdeel van je eigen kompas.

Ik herken dat bij mezelf. Als ik vroeger over een druk station liep en iemand keek mijn kant op, was een blik soms al genoeg. Dan dacht ik niet: iemand kijkt toevallig deze kant op. Ik dacht: er zal wel iets aan mij zijn. Zit mijn haar niet goed? Heb ik de verkeerde broek aan? Zie ik er raar uit?

Ik wist helemaal niet wat die ander dacht.

Maar ik vulde het alvast in.

En vervolgens paste ik mezelf aan op iets wat ik zelf had ingevuld.

Ik werd goed in gezichten bekijken. Als mensen lachten, voelde dat veiliger. Soms maakte ik mezelf daarom maar tot de clown. Als ik mezelf voor schut zette en mensen moesten lachen, wist ik tenminste wat er gebeurde. Dan had ík het georganiseerd. Onverwachte kritiek was veel moeilijker. Daar kon ik me niet alvast op voorbereiden.

Achteraf vind ik dat vreemd om te beseffen. Ik dacht dat ik andere mensen aan het lezen was, terwijl ik soms misschien vooral mijn eigen onzekerheid in hun gezicht probeerde terug te vinden.

En daar kom ik weer bij dat woord liefde.

Want misschien gaat liefde niet alleen over hoeveel liefde een kind krijgt. Misschien gaat het ook over welke ruimte er binnen die liefde bestaat.

Ruimte om iets verkeerd te doen. Om iets anders te willen. Om een voorkeur te hebben die een ander niet begrijpt. Om te ontdekken dat iemand anders jouw keuze kan afkeuren zonder dat jouw keuze daardoor automatisch verkeerd wordt.

Ruimte om een eigen kompas te bouwen.

Misschien is dat ook waarom sommige patronen zo moeilijk te veranderen zijn. Een gebroken been kun je op een foto aanwijzen. Daar zit de breuk. Het bot moet herstellen. Je kunt ongeveer vertellen welke stappen daarbij horen.

Maar wat als het kompas waarmee je door het leven loopt zelf opnieuw bekeken moet worden?

Dan kun je het niet acht weken in het gips zetten.

Je moet ermee blijven leven terwijl je langzaam ontdekt dat de naald misschien jarenlang automatisch naar buiten wees.

Wat hoort?

Wat vindt de ander?

Doe ik het wel goed?

En ergens daartussen verschijnt een vraag die bijna kinderlijk eenvoudig klinkt:

Maar wat wil ik eigenlijk zelf?

Misschien is herstel voor mij niet het vervangen van het ene perfecte kompas door een ander.

Misschien is het leren dat mijn eigen stem óók op dat kompas mag staan.


Essay

Wie zit er achter het stuur?

23 september 2026


Vanmorgen las ik een artikel met de titel Wie zit er achter het stuur? In eerste instantie leek het een artikel over technologie. Over AI. Over elektrische auto’s. Over navigatie. Over gemak.

Maar naarmate ik verder las, kreeg ik het gevoel dat het helemaal niet over technologie ging.

Het ging over de mens.

Steeds vaker laten we technologie beslissingen voorbereiden. We laten routes berekenen, teksten schrijven, foto’s verbeteren en agenda’s plannen. Dat is niet per se verkeerd. Integendeel, veel van deze hulpmiddelen geven ons juist meer ruimte.

Maar ergens onderweg veranderde de vraag.

Niet meer:
“Kan technologie dit?”

Maar:
“Wie neemt uiteindelijk de beslissing?”

Die vraag deed mij denken aan Hannah Arendt.

Na het proces tegen Adolf Eichmann hield haar niet alleen zijn daden bezig. Zij wilde begrijpen hoe een mens zover kan komen dat hij verantwoordelijkheid lijkt te vervangen door gehoorzaamheid.

Niet omdat ze hem wilde vrijpleiten.

Maar omdat ze bang was voor iets veel subtielers.

Dat een mens kan ophouden zelf te oordelen.

Juist daarom voelt de discussie over AI voor mij niet nieuw.

De techniek is nieuw.
De filosofische vraag niet.

Ook nu kunnen we ons afvragen:

Als een taalmodel mijn onderneming bedenkt, mijn teksten schrijft, mijn e-mails verstuurt en mijn marketing verzorgt…

Wie is dan eigenlijk ondernemer?

De software?
Of ik?

Misschien is het antwoord eenvoudiger dan we denken.

Niet degene die de woorden typt is verantwoordelijk.

Maar degene die ze ondertekent.

Dat betekent ook dat AI nooit verantwoordelijkheid kan dragen. Die blijft altijd bij de mens.

Misschien is dat wel het verschil tussen gemak en denken.

Een redacteur hielp Hannah Arendt haar Engels beter leesbaar te maken. Maar haar gedachten bleven van haar.

Dat voelt wezenlijk anders dan een machine vragen om niet alleen de woorden, maar ook de overtuigingen te bedenken.

Authenticiteit zit misschien niet in elke letter die we zelf typen.

Authenticiteit zit in de vraag:

“Zou ik hier nog steeds achter staan als mijn naam eronder staat?”

En misschien is dát de vraag die Hannah Arendt vandaag opnieuw zou stellen.

Niet:
“Is AI goed of slecht?”

Maar:
“Wie zit er eigenlijk achter het stuur?”


Essay

Het meisje dat iedereen probeerde te dragen

21 september 2026


Er was eens een meisje dat al jong ontdekte dat de wereld soms rustiger werd als zij zich aanpaste.

Dus leerde ze kijken.
Heel goed kijken.
Naar gezichten.
Naar stemmingen.
Naar wat iemand bedoelde zonder het uit te spreken.

Ze leerde voorspellen.
Ze leerde voorkomen.
Ze leerde rekening houden.

Niet omdat iemand haar dat letterlijk had geleerd.
Maar omdat haar lichaam ergens had opgeslagen:

“Als ik zorg dat het goed gaat met de ander, is het misschien ook veilig voor mij.”

Langzaam gebeurde er iets.

Ze werd steeds beter in het voelen van anderen.
En steeds slechter in het voelen van zichzelf.

Als iemand vroeg:
“Wat wil jij?”
…viel het stil.

Niet omdat ze niets wilde.
Maar omdat ze eerst keek wat de ander nodig had.

Jaren gingen voorbij.
Ze werd een volwassen vrouw.

Van buiten leek ze sterk.
Ze werkte.
Ze lachte.
Ze hielp.
Ze paste zich aan.

Maar van binnen stond haar lichaam al die tijd op wacht.
Alsof er ieder moment iets kon gebeuren.

En toen…
…kon haar lichaam niet meer.

Niet omdat ze zwak was.
Maar omdat het lichaam na jarenlang dragen zachtjes zei:

“Ik kan dit niet langer alleen.”

Eerst dacht ze dat ze gewoon harder haar best moest doen.
Nog beter luisteren.
Nog beter uitleggen.
Nog minder lastig zijn.

Maar hoe harder ze haar best deed…
…hoe stiller ze zichzelf hoorde.

Totdat iemand haar een vraag stelde die ze nog nooit echt had gekregen.

Niet:
“Waarom doe je dit?”

Maar:
“Wat voel jij eigenlijk?”

Dat was geen makkelijke vraag.

Want voelen had ze altijd gebruikt om anderen te begrijpen.
Niet zichzelf.

Langzaam begon ze iets nieuws te leren.

Dat een gevoel niet altijd opgelost hoefde te worden.
Dat angst mocht bestaan.
Dat verdriet niet meteen weg hoefde.
Dat schuldgevoel niet automatisch betekende dat ze iets verkeerd had gedaan.

Dat was nieuw.
Heel nieuw.

Ze ontdekte ook iets anders.

Dat people pleasing niet begon bij aardig zijn.
Het begon bij veiligheid.

Als ik iedereen tevreden houd…
…hoef ik misschien niet afgewezen te worden.

Als ik alles oplos…
…hoef ik misschien niet te voelen dat ik bang ben.

Als ik mezelf vergeet…
…kan niemand zeggen dat ik lastig ben.

En toen gebeurde er iets bijzonders.

Ze begon mijmeringen, filosofische teksten en essays te schrijven.

Niet om mensen te overtuigen.
Maar om vragen te stellen.

Ze schreef niet:
“Zo zit het.”

Ze schreef:
“Zou het ook anders kunnen zijn?”

Voor het eerst gebruikte ze haar gevoeligheid niet meer alleen om zich aan te passen.
Maar ook om de wereld te onderzoeken.

Ze ontdekte dat ze niet verantwoordelijk was voor alle antwoorden.
Alleen voor haar eerlijkheid.

En nog steeds…
…komt dat oude meisje soms naast haar zitten.

Dat meisje fluistert:
“Doe nog iets harder je best.”
“Verbeter die tekst nog één keer.”
“Misschien vinden ze je anders niet goed genoeg.”

En de vrouw glimlacht dan heel zacht.

Niet omdat dat stemmetje verdwenen is.
Maar omdat ze het inmiddels herkent.

Ze zegt:
“Dank je dat je me vroeger hebt proberen te beschermen.”
“Maar vandaag hoef jij niet meer te sturen.”

Dan pakt ze een kop thee.
Ze gaat in de tuin zitten.
Of op haar loungebank.
Of onder haar dekentje.

En soms schrijft ze.

Niet omdat ze perfect wil zijn.
Maar omdat ze eindelijk ontdekt dat haar eigen stem óók een plek mag hebben.

En misschien…
is dat wel de grootste verandering van allemaal.

Niet dat ze nooit meer pleast.
Niet dat ze nooit meer bang is.

Maar dat ze langzaam leert dat haar waarde nooit heeft afgehangen van hoeveel zij voor anderen droeg.

Ze is niet aan het leren om minder lief te zijn.
Ze is aan het leren dat liefde ook een richting naar binnen mag hebben.

Naar dat meisje.
En naar de vrouw die ze aan het worden is.


Essay

De rouw om een leven dat nooit een keuze was

17 september 2026


Rouw wordt vaak verbonden aan iets wat we hebben verloren.
Een geliefde.
Een gezondheid.
Een baan.
Een relatie.

Maar er bestaat misschien nog een andere vorm van rouw.
Niet de rouw om iets dat is verdwenen.
Maar de rouw om iets waarvan je pas veel later ontdekt dat het ooit had kunnen bestaan.

Misschien is dat een veel stillere vorm van verdriet.
Je mist dan niet alleen een gebeurtenis.
Je mist ook de mogelijkheid om ooit een keuze te hebben gehad.

Pas wanneer iemand zegt:
“Je had ook iets anders mogen kiezen.”
ontstaat de vraag die daarvoor onmogelijk was:
“Waarom wist ik dat eigenlijk niet?”

Dat is een merkwaardige ontdekking.
Want het verleden verandert er niet door.
En toch verandert alles.

Niet omdat de feiten anders worden.
Maar omdat de betekenis ervan verschuift.

Een leven dat ooit logisch leek, blijkt ineens gebouwd op een overtuiging die nooit onderzocht werd.

Niet omdat iemand bewust koos voor die overtuiging.
Maar omdat hij eenvoudigweg niet wist dat er ook een andere mogelijkheid bestond.

Misschien is dat wel de meest pijnlijke vorm van rouw.
Niet dat je een verkeerde keuze maakte.
Maar dat je niet wist dát je mocht kiezen.

Dat maakt de vraag naar schuld bijna onmogelijk.
Aan wie geef je de schuld als je handelde met de mogelijkheden die je toen kende?

En tegelijk blijft het verdriet bestaan.

Niet omdat het verleden veranderd moet worden.
Maar omdat je lichaam langzaam begint te beseffen hoeveel ruimte er al die tijd niet is geweest.

Misschien wordt rouw daarom zo vaak onderschat.

Mensen zeggen al snel:
“Je kunt het verleden toch niet veranderen.”

Dat klopt.
Maar rouw vraagt meestal ook niet om verandering.
Rouw vraagt om erkenning.

Om even stil te mogen staan bij iets wat nooit heeft kunnen ontstaan.

Misschien is dat ook waarom herstellen soms zo vreemd voelt.

Van buiten lijkt iemand vooruit te gaan.
Hij werkt weer.
Hij schrijft.
Hij lacht.

Maar van binnen kan tegelijkertijd een heel andere beweging ontstaan.
Niet vooruit.
Maar terug.

Niet om het verleden opnieuw te beleven.
Maar om eindelijk te voelen wat destijds geen plaats kreeg.

Misschien is dat geen stap achteruit.
Misschien is dat juist een teken dat er eindelijk genoeg veiligheid is ontstaan om verdriet toe te laten.

En misschien is dat wel de vreemdste paradox van herstel.

Soms begint het echte verwerken pas wanneer je weer genoeg kracht hebt om het verlies eindelijk onder ogen te zien.

Niet omdat het verdriet groter is geworden.
Maar omdat jij groter bent geworden.

Misschien zit er nog een tweede laag onder deze rouw.

Niet alleen dat je ontdekt dat er ooit een andere mogelijkheid had kunnen zijn.
Maar ook dat je die ontwikkeling nu alsnog moet doormaken.

Een kind dat leert wie het is, hoeft zich meestal nog niet bezig te houden met een hypotheek, een werkgever of een beoordeling van zijn belastbaarheid.

Het mag oefenen.
Fouten maken.
Twijfelen.
En langzaam ontdekken.

Wat gebeurt er wanneer diezelfde ontwikkeling pas tientallen jaren later begint?

Wanneer iemand tegelijkertijd opnieuw leert voelen, grenzen leert aangeven en nieuwsgierig leert zijn…
…terwijl hij óók verantwoordelijk is voor werk, financiën, huisvesting en de verwachtingen van de wereld om hem heen?

Misschien zit de rouw niet alleen in wat nooit heeft kunnen ontstaan.
Maar ook in de zwaarte waarmee die ontwikkeling later alsnog gedragen moet worden.

Misschien is herstellen daarom soms zo vermoeiend.

Niet omdat iemand achterloopt.
Maar omdat hij twee levensfasen tegelijk probeert te leven.


Essay

Wie leert mij nog luisteren naar mezelf?

12 september 2026


We leven in een tijd waarin bijna alles mogelijk is.

We kunnen reizen waar we willen. We kunnen duizenden boeken lezen, miljoenen video’s bekijken en iedere dag opnieuw ontdekken wat anderen mooi, belangrijk of succesvol vinden. Nog nooit waren er zoveel mogelijkheden om ons heen.

En toch vraag ik me af of we daardoor niet juist iets zijn kwijtgeraakt.

Niet de vrijheid om te kiezen.
Maar de rust om te ontdekken wat we zelf zouden kiezen.

De mens lijkt graag houvast te zoeken. We willen liefde vastzetten, vriendschap vastzetten en geluk vastzetten. We verlangen naar het moment waarop we kunnen zeggen: nu is het goed, nu blijft het zo.

Maar misschien is dat helemaal niet hoe een mens werkt.

Misschien beweegt een mens voortdurend.

Vandaag kan iets goed voelen en morgen iets anders. Niet omdat we wispelturig zijn, maar omdat leven beweging is.

Juist daarom denk ik dat geluk geen eindstation is. Het is eerder een gesprek dat je steeds opnieuw met jezelf voert.

Toch lijkt dat gesprek steeds moeilijker te worden.

Niet omdat mensen minder intelligent zijn.
Maar omdat er steeds meer stemmen zijn die vertellen hoe een goed leven eruit zou moeten zien.

Sociale media laten iedere dag nieuwe interesses zien. Nieuwe hobby’s. Nieuwe doelen. Nieuwe manieren waarop je gelukkiger zou kunnen worden.

Voordat je het weet, ben je bezig met wat iedereen belangrijk lijkt te vinden, terwijl je jezelf nog nauwelijks hebt gevraagd:

Wat vind ík eigenlijk belangrijk?

Ik verwijt dat niemand.

Ouders hebben ook maar geleerd wat zij hebben meegekregen. Leraren doen wat zij denken dat goed is. Iedereen probeert iets door te geven.

Maar ergens onderweg lijkt de vraag verdwenen:

Hoe leer je iemand luisteren naar zijn eigen stem?

Misschien is dat wel belangrijker dan leren wat je moet denken.

Niet omdat er één juiste manier van leven bestaat.
Maar omdat ieder mens uiteindelijk zelf moet ontdekken waar hij rust vindt.

Voor mij zit die ontdekking niet in grote antwoorden.

Soms zit die in een keuken waarvan ik ineens besef dat hij precies goed is.

Soms in een wandeling.

Soms in een boek van Montaigne.

En soms in de simpele gedachte:

Vandaag hoef ik alleen maar te luisteren naar wat vandaag bij mij past.

Misschien verandert dat morgen weer.

En misschien is dat juist geen zwakte.

Misschien is dat precies wat leven is.


Essay

Wanneer noemen wij iemand ‘toxic’?

05 september 2026


Misschien zegt een label niet alleen iets over degene die wij beschrijven, maar ook over onze behoefte om gedrag begrijpelijk te maken.

Het woord toxic lijkt de laatste jaren overal te zijn. We zeggen niet meer alleen:

Dat gedrag vond ik kwetsend.
We zeggen steeds vaker:

Die persoon is toxic.

Maar wat observeren we eigenlijk? En wanneer beginnen we iets in te vullen?

Misschien zien we iemand liegen. Misschien zien we dat iemand grenzen overschrijdt. Misschien zien we dat iemand een ander telkens een schuldgevoel geeft.

Dat zijn observaties.

Maar op het moment dat wij zeggen:

Hij doet dat bewust.

Zij wil manipuleren.

Hij geniet ervan.

Zij heeft zelf zoveel pijn.

zijn we niet meer aan het observeren. We zijn verklaringen aan het geven.

En misschien zijn die verklaringen waar. Misschien ook niet.

We weten het niet.

Misschien is filosofie juist de kunst om dat "ik weet het niet" iets langer vol te houden.

Niet om schadelijk gedrag goed te praten. Maar ook niet om een mens volledig te beschrijven met één woord.

Want zodra gedrag verandert in identiteit… wordt een observatie een oordeel. En een oordeel wordt al snel een etiket.

Misschien zegt het woord toxic daarom niet alleen iets over degene die wij beschrijven. Misschien zegt het ook iets over onze behoefte om gedrag snel begrijpelijk te maken.

Want een label geeft rust. Een mens niet.

Wanneer weten we werkelijk iets over een mens, en wanneer vullen we slechts een verklaring in omdat onzekerheid moeilijker te verdragen is dan een label?


Essay

Ik dacht steeds dat ik de kern had gevonden

26 augustus 2026


Steeds opnieuw dacht ik:

“Nu heb ik het.”

Toen ontdekte ik hechting. Ik begreep ineens dat de manier waarop ik naar mezelf keek niet zomaar uit de lucht was komen vallen. Dat de eerste jaren van mijn leven invloed hadden op hoe veilig of onveilig mijn zenuwstelsel zich voelde. Ik dacht: dit is de bodem.

Later ontdekte ik patronen. Ik zag hoe ik mezelf voortdurend aanpaste. Hoe ik perfectionistisch werd. Hoe ik bang was om fouten te maken. Ik leerde dat gedrag vaak ooit een oplossing is geweest. Weer dacht ik:

“Nu begrijp ik het.”

Daarna kwamen grenzen. Ik ontdekte dat ik veel te vaak over mijn eigen grenzen heen ging. Dat ik dacht dat verantwoordelijkheid betekende dat ik iedereen tevreden moest houden. Ik oefende met nee zeggen. Met ruimte innemen. Weer voelde het alsof ik een belangrijke laag had gevonden.

Toen kwamen mijn waarden. Niet meer alleen leven vanuit wat anderen verwachtten, maar onderzoeken wat ík belangrijk vond. Rust. Eerlijkheid. Creativiteit. Respect. Vertrouwen. Ik begon een kompas te bouwen.

Daarna kwam misschien wel één van de moeilijkste inzichten.

Verantwoordelijkheid nemen zonder alles te dragen.

Ik ontdekte dat verantwoordelijkheid niet betekent dat ik verantwoordelijk ben voor de emoties van anderen. Dat ik mijn deel mag doen, zonder het hele gewicht van de wereld op mijn schouders te leggen.

En weer dacht ik:

“Nu heb ik het.”

Maar toen gebeurde er iets wat ik niet had verwacht. Tijdens een gesprek viel er een opmerking over emoties. Eigenlijk heel klein. Maar die ene opmerking zette iets in beweging.

Ik maakte een vel papier. Niet omdat iemand het van mij vroeg. Maar omdat ik nieuwsgierig werd.

Ik ontdekte dat ik jarenlang vooral had geleerd om te begrijpen. Ik kon analyses maken. Ik kon verbanden leggen. Ik kon mijn verleden uitleggen.

Maar toen stelde ik mezelf een eenvoudige vraag:

“Wat voel ik eigenlijk?”

En daar begon iets nieuws.

Ik leerde emoties herkennen. Niet perfect. Niet in één dag. Maar steeds opnieuw. Ik pakte mijn papier erbij. Ik keek.

Is dit verdriet?
Is dit angst?
Is dit teleurstelling?
Of misschien toch boosheid?

Ik ontdekte dat een emotie een naam geven niet betekende dat hij meteen verdween. En dat hoefde ook niet.

Langzaam begon ik emoties niet alleen te herkennen. Ik begon ze ook te verdragen. Ik hoefde ze niet meteen op te lossen. Ik mocht zeggen:

“Je mag er zijn.”

Toen ontdekte ik nog iets. Achter een emotie zat vaak een gedachte. En achter die gedachte zat vaak een behoefte.

Dus ontstond er een klein stappenplan.

Wat is er gebeurd?
Wat voel ik?
Welke gedachte hoort daarbij?
Waar heb ik behoefte aan?

En alles wat ik voel mag er zijn.

Voor het eerst voelde luisteren naar mezelf niet meer als een vaag begrip. Ik kreeg er woorden voor.

En terwijl ik dit oefende, gebeurde er nog iets. Ik begon mezelf steeds iets meer te vertrouwen. Niet omdat ik geen angst meer had. Maar omdat ik merkte dat ik niet meer meteen overspoeld werd.

Ik kon bang zijn. En toch bellen.

Ik kon verdrietig zijn. En toch voor mezelf kiezen.

Ik kon teleurgesteld zijn. En toch rustig blijven.

Misschien is dat wel vertrouwen. Niet dat emoties verdwijnen. Maar dat ik ontdek dat ik ze kan dragen.

En misschien is dat uiteindelijk waar herstel over gaat. Niet over het vinden van één grote oorzaak. Niet over het vinden van hét antwoord. Maar over steeds een laagje dieper durven zakken.

Misschien dacht ik steeds dat ik het ei van Columbus had gevonden. Nu denk ik iets anders.

Ik denk dat herstel geen schat is die je opgraaft. Het is een pad. En op dat pad kom ik steeds weer iets nieuws tegen.

Vandaag is dat voelen. Morgen misschien iets anders.

En misschien is de laatste stap niet eens een techniek. Maar een houding.

Dat ik op een dag werkelijk kan zeggen:

Ik mag er zijn.

Niet alleen mijn gedachten.
Niet alleen mijn gedrag.
Niet alleen mijn successen.

Maar ook mijn verdriet.
Mijn angst.
Mijn boosheid.
Mijn verlangen.
Mijn kleine meisje.

En uiteindelijk…
ook gewoon Linsey.

Essay

Waarom vinden we een eerste antwoord eigenlijk voldoende?

23 augustus 2026


Er zijn van die vragen die zich niet laten wegsturen.

Niet omdat ze luid zijn.
Maar omdat ze blijven terugkomen.

Je kunt ze negeren.
Je kunt jezelf afleiden.
Je kunt jezelf vertellen dat het niet belangrijk is.

En toch zitten ze de volgende dag weer aan tafel.

Misschien is dat wel het kenmerk van een echte vraag.

Niet dat zij onmiddellijk om een antwoord vraagt.
Maar dat zij weigert te verdwijnen.

De laatste tijd merk ik dat ik steeds vaker blijf hangen bij antwoorden die voor de meeste mensen voldoende lijken.

“Waarom maak je je bed op?”

“Omdat het netjes is.”

Het gesprek eindigt.

Niemand kijkt ervan op.
Niemand stelt nog een vraag.

En toch gebeurt er bij mij iets.

Niet omdat ik het antwoord niet begrijp.
Maar omdat ik nieuwsgierig word naar wat daaronder ligt.

Waarom is netjes eigenlijk belangrijk?
Wanneer is iets netjes?
Wie heeft bepaald dat een opgemaakt bed netter is dan een bed waarvan het dekbed nog half open ligt?

En misschien nog wel een vreemdere vraag.

Waarom voelt het eerste antwoord alsof het gesprek afgelopen is?

Dat laatste fascineert mij misschien nog wel meer dan het bed zelf.

Alsof een verklaring niet alleen een antwoord geeft.
Alsof zij tegelijkertijd zegt:

“Zo zit het.”

En daarmee verdwijnt de nieuwsgierigheid.

Misschien is dat helemaal niet vreemd.

Mensen verlangen naar overzicht.
Naar orde.
Naar het gevoel dat de wereld begrijpelijk is.

Een antwoord geeft rust.
Een antwoord sluit af.

Misschien is dat ook waarom wij zo gemakkelijk zeggen:

“Zo hoort het.”

“Dat is normaal.”

“Dat doet iedereen.”

Niet omdat deze zinnen altijd onwaar zijn.
Maar omdat ze het ongemakkelijke gevoel van niet-weten even laten verdwijnen.

Toch vraag ik mij af of daarmee niet juist iets verloren gaat.

Want zodra een antwoord het einde van een gesprek wordt, verdwijnt misschien ook de mogelijkheid om verder te kijken.

Misschien gebeurt dat veel vaker dan we denken.

Niet alleen bij huishoudelijke taken.
Maar ook bij overtuigingen.
Bij opvoeding.
Bij werk.
Bij relaties.
Bij geloof.
Bij de manier waarop wij naar onszelf kijken.

“Zo ben ik nu eenmaal.”

En hoeveel ruimte blijft er daarna nog over voor een volgende vraag?

Misschien is dat ook waarom sommige gesprekken mij zo moe maken.

Niet omdat mensen iets anders vinden dan ik.
Dat vind ik meestal helemaal niet erg.

Maar omdat een eerste antwoord soms voelt als een muur.

Niet letterlijk.
Niemand bedoelt het verkeerd.

Toch merk ik dat ik soms denk:

“Volgens mij begint het gesprek nu pas.”

Wanneer iemand zegt:

“Zo hoort het.”

wil ik niet zozeer weten óf het zo hoort.

Ik ben nieuwsgierig naar hoe iemand tot die overtuiging is gekomen.

Wat heeft hij meegemaakt?
Welke ervaringen liggen daaronder?
Welke vanzelfsprekendheden heeft hij nooit hoeven onderzoeken?

Niet omdat ik hem wil overtuigen.
Maar omdat ik nieuwsgierig ben naar de weg die iemand heeft afgelegd.

Misschien is dat wel de reden dat ik zoveel van essays houd.

Een essay eindigt zelden bij een conclusie.
Een essay laat zien hoe een gedachte ontstaat.
Niet alleen waar iemand uitkomt.
Maar ook waar iemand begon.

Misschien verlang ik daarom niet zozeer naar antwoorden.

Ik verlang naar denkwegen.

De laatste tijd vraag ik mij ook af waarom wij zo graag labels gebruiken.

Niet omdat labels verkeerd zijn.
Soms helpen ze juist.
Ze geven herkenning.
Ze kunnen opluchting geven.

Toch blijft dezelfde vraag terugkomen.

Waarom vinden wij het belangrijk om iets een naam te geven?
Geeft een naam rust?
Geeft een naam veiligheid?
Of geeft een naam ons het gevoel dat wij de wereld een beetje beter begrijpen?

Misschien doen wij met woorden hetzelfde als met antwoorden.

Wij proberen iets af te ronden.

Terwijl een mens misschien helemaal niet afgerond is.

Misschien geldt dat zelfs voor onszelf.

“Ik ben nu eenmaal zo.”

En hoeveel nieuwsgierigheid blijft er dan nog over?

Misschien is de mens niet zo interessant vanwege de antwoorden die hij geeft.

Misschien is hij interessant vanwege de vragen die hij blijft stellen.

Niet de vragen die onmiddellijk opgelost moeten worden.
Maar de vragen die jarenlang zachtjes blijven terugkomen.

Ik merk dat ik steeds minder geïnteresseerd raak in het antwoord zelf.

Steeds vaker vraag ik mij af:

Hoe is iemand eigenlijk tot dat antwoord gekomen?
Waarom vindt iemand dit vanzelfsprekend?
Waarom voelt iets logisch?
Wanneer is iets ooit begonnen?

Misschien zijn dat wel de vragen die nooit echt verdwijnen.

Je kunt ze uitstellen.
Je kunt ze wegwuiven.
Je kunt zeggen:

“Niet zo analyseren.”

Maar sommige vragen blijven.

Niet omdat zij lastig willen zijn.
Maar omdat zij nog niet klaar zijn.

Misschien is nieuwsgierigheid daarom geen eigenschap.

Misschien is nieuwsgierigheid een vorm van trouw.

Trouw aan een vraag die blijft aankloppen.

Niet omdat zij onmiddellijk opgelost moet worden.
Maar omdat zij blijkbaar iets wil laten zien.

En misschien is dat uiteindelijk de enige reden waarom ik schrijf.

Niet om antwoorden te geven.
Maar om sommige vragen lang genoeg gezelschap te houden.


Essay

De vragen die we níét stellen

21 augustus 2026


Een observatie over het liedje Schoonzoon van Luna

Popmuziek vertelt vaak verhalen over liefde. Over verliefd worden, afwijzing, verlangen of de zoektocht naar de juiste partner. In het liedje Schoonzoon wordt die zoektocht op een luchtige manier beschreven. De één houdt nog van zijn ex. De ander is slecht in bed. Weer iemand anders voldoet niet aan het ideale plaatje.

Het zijn herkenbare redenen. Misschien juist daarom werkt het liedje zo goed.

Maar terwijl ik luisterde, viel mij iets anders op.

Alle redenen om iemand af te wijzen liggen buiten de luisteraar. Ze gaan over eigenschappen van de ander. Over wat iemand heeft, doet of mist. De vraag blijft daardoor steeds dezelfde:

“Wie voldoet aan mijn voorwaarden?”

Misschien is dat helemaal geen vreemde vraag.

Maar het is ook niet de enige vraag die gesteld kan worden.

Er bestaat namelijk nog een tweede laag.

Niet:
“Is hij de juiste partner?”

Maar:
“Waarom vind ik deze eigenschappen eigenlijk zo belangrijk?”

Waarom voelt een ex als een probleem? Waarom wordt slecht zijn in bed een doorslaggevende reden? Waarom zoeken we zo vanzelfsprekend naar iemand die aan een lijstje voldoet, terwijl we zelden onderzoeken waar dat lijstje vandaan komt?

Misschien viel het mij juist daarom op.

Niet alleen in dit liedje. Maar ook in veel andere liedjes, films, televisieprogramma’s en gesprekken.

Vaak blijven de vragen hangen bij de buitenkant.

Wie is knap genoeg?
Wie is succesvol genoeg?
Wie is de juiste partner?

Veel minder vaak hoor ik de vraag:

“Waarom vinden wij juist deze eigenschappen zo belangrijk?”

Dat betekent niet dat het eerste verkeerd is. Het betekent alleen dat de tweede vraag veel minder vaak klinkt.

En wat je weinig hoort, ontdek je misschien ook minder snel als mogelijkheid.

Misschien begint zelfonderzoek daarom niet bij de ander. Misschien begint het bij de vraag waarom juist díe eigenschappen ons zo bezighouden.

Dat maakt het liedje niet verkeerd. Het laat één manier van kijken zien. Maar misschien vergeten we daardoor soms dat er ook een andere vraag mogelijk is.

Niet:
“Wie past het beste bij mij?”

Maar:
“Waarom zijn juist deze eigenschappen voor mij zo doorslaggevend geworden?”

Misschien is de interessantste vraag daarom niet wie de perfecte schoonzoon is. Misschien is de interessantste vraag welke overtuigingen er onder onze voorkeuren verborgen liggen.


Essay

De vrijheid van meerdere perspectieven

14 augustus 2026


We leven in een tijd waarin overal om een mening wordt gevraagd. Alsof de wereld bestaat uit keuzes tussen vóór of tegen, goed of fout, links of rechts. Maar misschien is de grootste beperking niet dat mensen verschillende antwoorden geven. Misschien is de grootste beperking dat we vaak denken dat er maar één antwoord mág bestaan.

Wie opgroeit met één manier van kijken, ervaart die zelden als een keuze. Het bekende wordt vanzelfsprekend, en wat vanzelfsprekend is, wordt nauwelijks nog onderzocht. Niet uit onwil, maar omdat alternatieven eenvoudigweg niet zichtbaar zijn.

Misschien begint vrijheid daarom niet met het vinden van de juiste overtuiging, maar met een andere vraag:

“Is dit de enige manier om hiernaar te kijken?”

Die vraag verandert meer dan een antwoord ooit kan doen.

Ze maakt ruimte voor nuance. Voor het besef dat iemand verdriet kan voelen én de werkelijkheid kan accepteren. Dat iemand gekwetst kan zijn én begrip kan ontwikkelen voor de ander. Dat verschillende perspectieven elkaar niet hoeven uit te sluiten, maar juist samen een completer beeld kunnen vormen.

Misschien is wijsheid daarom niet het bezitten van de waarheid.

Misschien is wijsheid het verdragen dat de werkelijkheid groter is dan ons eigen perspectief.


© Linsey Amanda — 2026